Japanse zinnen

De Japanse beleefdheidsvormen uitgelegd

Nederlandstaligen hebben hier een voorsprong die het Engels mist: wij kennen u en jij al. Japans doet hetzelfde, met meer niveaus.

Drie oplopende blokken: plat, -masu en keigo

Japans heeft een ingebouwd beleefdheidssysteem dat het hele werkwoord verandert. Dezelfde mededeling — «ik ga morgen» — klinkt anders tegen een vriend, tegen een winkelier en tegen een klant, en het verschil zit niet in de toon maar in de vorm.

Engelstalige uitleg hierover is meestal ingewikkeld, en dat komt doordat het Engels het aanknopingspunt mist. Nederlandstaligen hebben dat wel.

Drie oplopende blokken: plat, -masu en keigo

Het aanknopingspunt: u en jij

Nederlands, Engels en Japans vergeleken op beleefdheidsvormen

Het Nederlands kent u en jij. U kiest daartussen honderd keer per dag zonder erover na te denken, op basis van leeftijd, functie, situatie en hoe goed u iemand kent. U voelt ook precies wanneer de een verkeerd zou zijn: «jij» tegen een onbekende oudere klinkt bot, «u» tegen een goede vriend klinkt afstandelijk of ironisch.

Het Engels verloor dat onderscheid eeuwen geleden — thou verdween en you bleef voor iedereen. Engelstaligen moeten beleefdheid daarom via woordkeuze en omhaal regelen, en missen het gevoel dat een grammaticale keuze een sociale keuze is.

Japans doet precies wat het Nederlands doet, maar op grotere schaal: meer niveaus, en het raakt niet één voornaamwoord maar de werkwoordsvorm, het zelfstandig naamwoord en soms het hele woord.

Wie aanvoelt wanneer «u» hoort en wanneer «jij», heeft het principe al te pakken. De rest is uitbreiding, geen nieuw concept.

De voorsprong die u niet wist te hebben

Drie niveaus

Dezelfde zin op drie beleefdheidsniveaus

1. De platte vorm — futsūkei

Ashita iku. «Ik ga morgen.»

Tegen vrienden, familie en jongere mensen die u goed kent. Dit is ook wat u in anime, manga en films hoort, en dat veroorzaakt een bekend probleem: wie Japans van fictie leert, leert het niveau dat in het dagelijks verkeer meestal ongepast is.

De vorm is bovendien de grammaticale basis van de taal — woordenboeken geven werkwoorden zo, en veel constructies bouwen erop voort. U leert hem dus wel, maar u gebruikt hem zelden.

2. De beleefde vorm — teineikei

Ashita ikimasu.

De -masu-vorm, en dit is uw niveau. Het is de standaard voor iedereen buiten uw eigen kring: winkelpersoneel, hotelmedewerkers, onbekenden, collega’s van gelijke rang.

Alle zinnen in ons zinnenboek staan in deze vorm, en dat is een bewuste keuze. Van een bezoeker wordt niets anders verwacht, en dit niveau is nooit fout — hooguit iets formeler dan nodig, en dat valt niemand op.

Herkenbaar aan de uitgangen -masu, -mase, -mashita, en aan desu aan het eind van een zin.

3. Keigo — sonkeigo en kenjōgo

Ashita mairimasu.

Hier verandert niet de uitgang maar het werkwoord zelf. Iku (gaan) wordt mairu als u het over uzelf hebt, en irassharu als u het over de ander hebt.

Dat is de kern van keigo, en het valt uiteen in twee richtingen:

  • Sonkeigo (尊敬語), verheffende taal: u tilt de ander op. Gebruikt voor wat de ander doet.
  • Kenjōgo (謙譲語), bescheiden taal: u maakt uzelf kleiner. Gebruikt voor wat u zelf doet.

Dezelfde handeling krijgt dus twee verschillende werkwoorden, afhankelijk van wie hem uitvoert. Dat is het punt waarop het systeem echt afwijkt van alles wat wij kennen.

Wat u ervan nodig hebt

Actief: alleen niveau twee. De -masu-vorm, en dat is het. Keigo produceren wordt niet van u verwacht, en een buitenlander die het probeert en misslaat, valt meer op dan een die het niet probeert.

Passief: een beetje niveau drie. Want u krijgt het de hele dag over u heen. Winkelpersoneel spreekt in keigo tegen klanten, en dat klinkt volstrekt anders dan wat u geleerd hebt.

Wat u hoort Wat het is
irasshaimase Welkom — de keigo-groet bij binnenkomst
o-machi kudasai Wacht u alstublieft
go-ran kudasai Kijkt u gerust
shōshō o-machi kudasai Een ogenblik alstublieft
kashikomarimashita Begrepen, komt in orde

Herkent u ze, dan hoeft u alleen te knikken. Dat is genoeg.

De voorvoegsels o- en go-

Een klein onderdeel van het systeem dat u meteen kunt gebruiken. Voor veel zelfstandige naamwoorden komt een beleefd voorvoegsel: o- bij woorden van Japanse oorsprong, go- bij woorden van Chinese oorsprong.

  • kane (geld) → o-kane
  • cha (thee) → o-cha
  • kaikei (rekening) → o-kaikei
  • meshi (eten) → go-han

Bij sommige woorden is het voorvoegsel zo ingeburgerd dat het er altijd staat — niemand zegt cha zonder o-. Bij andere is het een keuze. U zit met de beleefde variant altijd goed.

Waarom het systeem bestaat

Keigo is geen versiering maar de grammaticale kant van iets dat in Japanse cultuur begrijpen als eerste uitgangspunt staat: het onderscheid tussen uchi (binnen) en soto (buiten).

Elke zin plaatst spreker en aangesprokene ten opzichte van elkaar. Dat is niet optioneel — u kunt in het Japans nauwelijks een zin maken zonder een verhouding uit te drukken. Waar wij «ik ga morgen» kunnen zeggen zonder iets over de ander te beweren, dwingt het Japans u tot een keuze.

En die keuze verschuift met de situatie. Praat u met een collega, dan is die collega binnen. Praat u met een klant over diezelfde collega, dan valt de collega samen met u binnen en de klant erbuiten — waardoor u over uw eigen baas bescheiden spreekt en over de baas van de klant eerbiedig.

Vier dingen die goed zijn om te weten

Anime is niveau één. Wie zijn Japans daaruit haalt, klinkt in een winkel als iemand die tegen een onbekende «jij» zegt. Niet beledigend, wel onhandig.

Leeftijd weegt zwaar. Bij twijfel het beleefdere niveau. Dat is dezelfde regel als bij ons.

Vrouwen en mannen spreken deels anders. Er bestaan vormen die als vrouwelijk of mannelijk gelden — atashi tegenover ore, bijvoorbeeld. In de -masu-vorm speelt dat nauwelijks, dus voor u is het vooral iets om te herkennen.

Overdrijven bestaat. Te veel keigo tegen iemand die dat niet vraagt, klinkt sarcastisch of afstandelijk — precies zoals «u» tegen een goede vriend.

Waar u het oefent

Bij elke zin in ons zinnenboek staat een notitie over wanneer u die vorm gebruikt, en bij een deel ervan staan varianten op een ander niveau. Zo ziet u arigatō gozaimasu naast het kortere arigatō en het formelere dōmo arigatō gozaimasu, met het verschil erbij.

Wie het systeem echt wil beheersen, komt uit bij grammatica en oefening — de route staat in Japans leren: hoe je begint. En als u zich afvraagt of het examen dit toetst: nee. De JLPT meet begrip, niet productie, wat een bekende beperking is — zie JLPT: de vijf niveaus uitgelegd.

Verder lezen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *